Poppenmoeder

‘Wat doe jíj nou!?’ Minachtend staart Simon naar mijn schoot. Schaamteloos kijk ik terug, terwijl mijn vingers zich om het mollige babyhandje krullen. ‘Ze kijkt lekker mee, heerlijk toch! En ze blèrt noch poept noch beweegt, zo heerlijk!’ Wat voelt ze fijn, mijn Lianne! Nee, niet wéér haar hoofdje omdraaien, jongens. Ah toe nou….

Of het nu aan mijn eigen verouderingsproces ligt, of aan de plotseling opgelaaide opruimwoede van mijn moeder, maar mijn bijna veertig jaar oude babypop is nu dus eindelijk weer bij haar poppenmoeder. Bij mij dus.

Poppenmoeder? Riep ik niet altijd dat ik niet voor baby’s in de wieg ben gelegd? Dat ik liever voetbalde of in de boeken zat en gedichtjes schreef? En later, dat ik ook prima gelukkig zou zijn zonder kinderen, mochten ze niet vanzelf komen?

Met verwondering herinner ik mij dat ik destijds toch echt honderden flesjes melk heb opgeslobberd, van mijn eigen geld kleertjes heb gekocht en kilometers met haar in het stoeltje op het stuur heb rondgefietst (met mijn broer, maar die zal ik hier niet bij naam noemen). Wij speelden een heus gezin, en dat ging mij destijds dus wél verrassend goed af. Haar olijke hoofdje en mollige handjes en beentjes brachten diep verstopte moedergevoelens naar boven. Het enige dat ik tóen miste was dat ze niet kon plassen en huilen zoals de pop van mijn vriendinnetje…

Ik denk dat ze een uitermate goed leven had bij mij, wanneer ik tenminste tijd voor haar nam. Helaas heb ik haar oog niet kunnen beschermen tegen een jongetjesvinger, waarvan ik opnieuw de eigenaar niet zal noemen. Hoe schattig ze ook is, dat blijft toch een vrij onooglijk gezicht.

Natuurlijk ontgroeide ik haar, en zag zij met lede ogen aan – met één oog in elk geval – dat ik het huis uit ging, zoals Woody in Toy Story een jaar later vanuit zijn doos Andy zag vertrekken. Dus heeft het poppenkind jarenlang op zolder rondgezworven, af en toe nog geknuffeld door de weinige nichtjes, overgegooid door het nevendeel van de familie, of vergeten in een hoek gelegen.

Ondertussen werden mij zomaar een paar baby’s in de schoot geworpen, en was de schok levensgroot dat deze lekkere lijfjes wél onmeunig veel bewogen, herrie maakten, niet meteen lekker doorsliepen, niet aten wat ik hen wilde laten eten, en vooral huilden. Nummer één leek zelfs ontroostbaar, en met enkel mijn slappestillebabypop ervaring was ik daar absoluut niet op voorbereid. Zo kon ik het niet. Waar was dat tevreden hoofdje, dat stil liggende lijfje, dat brave bolletje in het holletje van mijn arm?

Nu wordt de zolder leeggeruimd. En nu pas zie ik haar weer zitten. Letterlijk en figuurlijk. Zodra ik haar tegen mij aan vouw, ben ik weer acht en voel ik wie zij voor mij was, en ik voor haar. En voel ik mij opeens wel een kei goeie babymoeder. Zo kan ik het wel.

Oké, misschien word ik seniel. Had ik dit beter niet hardop kunnen zeggen en showen. Waarom ik het dan toch wil delen? Dat wist ik eigenlijk niet, dus deed ik het maar niet.

Vanochtend las ik het gedicht van een vrouw die al jaren wacht op het kindje dat (nog) niet komt. ‘Ik mis je in m’n hart, waar je bent ontstaan.’ En ik realiseer me dat ook mijn kinderen toch al in mijn kleine meisjeshart zijn geboren. Dat ik ze bijna ongevraagd en zonder moeite kreeg is een niet altijd even gewaardeerde zegen. Want ik had ze echt niet willen missen. Al blijft het irritant dat ze haar steeds de nek omdraaien en daar nog bij grijnzen ook.

Permanent link to this article: http://www.leeslinda.nl/?p=1630